Als alles contactloos moet, hoe verbinden we dan nog?
"De werkelijke crisis is geen migratiecrisis, het is een medemenselijkheidscrisis. We criminaliseren solidariteit, terwijl we juist nu meer dan ooit bruggen nodig hebben. We hebben geen wetten nodig die mensen uitsluiten. We hebben ogen nodig die zien. Oren die luisteren. Harten die kloppen voor de ander. Want zoals ubuntu zegt: ik ben mens omdat jij mens bent."
5/8/20242 min read


Het was eind maart in Groningen. Na mijn lezing over ubuntu en medemenselijkheid zat ik in de kantine, nippend aan een drankje, toen een vrouw op me afkwam. Ze had zo’n licht in haar ogen dat je niet vaak meer ziet, het soort licht dat gelooft in de goedheid van mensen. Noem haar gerust naïef, maar in tijden van verharding zijn het juist zulke zielen die ons herinneren aan wie we kunnen zijn. Ze verontschuldigde zich omdat ze niet bij mijn lezing aanwezig was geweest. Haar vrienden hadden haar verteld over mijn verhaal, over hoe we het wij sterker kunnen maken voor de storm die komt.
Ze had die dag een boek gekocht van een andere spreker. Iemand met een heel andere toon. Geen bruggenbouwer, maar een verkondiger van het recht op ongemak. Ze kocht zijn boek en hij signeerde het met een tekst: ‘Durf ongezellig te zijn’. Ik moest erom glimlachen. Geniaal in zijn eenvoud, ook al spreekt het mijn waarheid niet. Waar hij waarschuwt voor de ongemakkelijke toekomst, pleit ik juist voor de zachte kracht van ontmoeting.
Wij staan op een kruispunt. We kunnen kiezen voor Mozes: oog om oog, tand om tand. Of we kunnen luisteren naar Jezus die zei: als iemand je slaat, keer hem ook je andere wang toe. Ik kies voor Ubuntu, de Afrikaanse levensvisie die zegt: Ik ben omdat wij zijn. Ubuntu leert ons niet om elkaar te bekijken, maar om elkaar écht te zien.
Veel mensen zijn het verleerd om te zien. Ze turen, keuren, scannen.
Zien is een werkwoord van het hart. Kijken doen we als toeristen. Zien doen we als we bereid zijn om de mens achter de blik, de pijn achter de glimlach te ontmoeten. Veel mensen zijn het verleerd om te zien. Ze turen, keuren, scannen. En daardoor missen ze wat ons werkelijk verbindt: menselijkheid.
Ik oefen elke dag in de kunst van het zien. Soms zie ik meer dan goed voor me is. Zoals op station Utrecht Centraal, waar ik regelmatig langsloop. Als je daar goed oplet, zie je mensen die willen reizen, maar geen gebruik kunnen maken van de automaten. Ze hebben geen bankpas. Geen BSN. Geen verblijfsvergunning. En dus: geen toegang tot de trein. Ik heb weleens een kaartje voor hen gekocht. Zij gaven mij contant geld terug. Kleine gebaren van solidariteit. Maar straks? Straks zou dat zomaar strafbaar kunnen zijn.
Er zijn jongeren die niet eens een festivalkaartje kunnen kopen omdat ze geen toegang hebben tot digitale betaalmiddelen. En dus help ik ook hen af en toe. Niet omdat ik zo bijzonder ben, maar omdat het normaal zou moeten zijn om elkaar te helpen. Maar ook dat kan straks als medeplichtigheid worden gezien als het strengere asielbeleid werkelijkheid wordt.
Wat zegt het over een land als het geven van een kop thee, het kopen van een treinkaartje of het openen van een poortje wordt gezien als een daad van verzet? Moet ik straks eerst vragen of iemand legaal in Nederland verblijft voordat ik hem help zijn weg te vinden?
In de bibliotheek van Utrecht kon ik laatst niet eens contant betalen voor een drankje. Alles moet contactloos. Maar hoe verbonden zijn we dan nog, als we alleen mogen helpen via schermen, pasjes en protocollen?
De werkelijke crisis is geen migratiecrisis, het is een medemenselijkheidscrisis. We criminaliseren solidariteit, terwijl we juist nu meer dan ooit bruggen nodig hebben. We hebben geen wetten nodig die mensen uitsluiten. We hebben ogen nodig die zien. Oren die luisteren. Harten die kloppen voor de ander.
Want zoals Ubuntu zegt: ik ben mens omdat jij mens bent.
Gepubliceerd op 10 juli 2025